Afgewaaid blad
wordt
opgeslurpt
door de bladzuiger.
Niets rest meer
van de zomer.
| | | | | | |

Alleen maar een bal - Reisverhaal Mali

'We hebben dikke pech.' Onze reisleider komt lachend terug bij ons gezelschap dat bij de zes jeeps staat te wachten.
Vanmorgen zijn we met opzet heel vroeg uit Timboektoe vertrokken, omdat het door de slechte weg een lange dagreis wordt tot Mopti.
'Ik schat dat we hier wel een paar uur oponthoud hebben voordat de veerpont ons kan overzetten.'
Wat is wachten in Afrika? Meer dan tien jaar geleden bij mijn eerste kennismaking heb ik al snel het begrip AFT geleerd, African Flexible Time.
Jammer genoeg is het me daarna, ondanks mijn goede voornemens, nooit echt gelukt om dat tot een deel van mijn leven te maken. In elk geval krijg ik ook deze reis in Mali weer oefeningen in wachten.
We staan aan de oever van de Niger, want haven is een te groot woord. Er wordt een vrachtboot gelost. Kerels en kleine jongens lopen af en aan met veel te grote vrachten op hun smalle schouders en ruggetjes. Maar voordat ik echt compassie krijg, vallen me de armen en benen op waar spieren als strakke kabels bovenop liggen.
Daarvoor moet bij ons menig uur gezweet worden in de fitness.

Een echt dorp is dit niet, er staan wat hutten, afdakjes, kramen en er zijn schamele, houten winkeltjes van een paar vierkante meter.
Natuurlijk komen onmiddellijk kinderen op ons af. Witneuzen, misschien valt er wat te verdienen of bij elkaar te scharrelen.
Er komt een jongetje bij me staan. Hij blijkt Frans te spreken, dus hij gaat naar school?
'Ik zit in de vijfde klas,' antwoordt hij. Hij is 11 jaar en hij heet Alhadj. Maar nu heeft hij vakantie.
Die duurt hier een maand of vier, tot oktober. Het is regentijd en van deze paar maanden moeten ze het hebben. Ook de kinderen zwoegen dus mee: ploegen, zaaien of poten, onkruid schoffelen en de oogst binnenhalen voor de grote droogte. Te veel of te weinig regen, het maakt het verschil tussen gevulde graanschuurtjes of lege, tussen een jaar net genoeg te eten of honger.
Ik kan er van volschieten onderweg. Al die beelden raken me: kinderen van een jaar of zes, die kromgehurkt onder de brandende zon, met een hak de keiharde aarde openklieven. Verfrommelde ouden van dagen die nog altijd moeten ploeteren. Of verderop, in mooie rechte bedjes de frisgroene mais of de zoete aardappelen, teer en kwetsbaar als de mensen hier. En tegelijkertijd stevig en vol levenskracht.

Ik kijk naast me naar Alhadj, wat verlegen en vooral heel ernstig staat zijn gezicht. Hij heeft met zijn 11 jaar vast al veel verantwoordelijkheden.
Vijf broertjes en zusjes heeft Alhadj, hij is de oudste. 'Pap en mam werken nu op het land.'
Hoeft hij niet mee te helpen?
'Anders wel, maar vandaag niet.'
En wat doet hij dan in zijn vrije tijd?
Voetballen, zegt hij. Met zijn vriendjes heeft hij een team, van maar liefst elf man.
'Zo, dat is heel echt, geweldig,' knik ik blij voor hem.
'Maar wij hebben geen bal, die is kapot.'
Hij zegt het neutraal, maar op slag denk ik aan mijn neven thuis die ook voetballen. Sportkleren, leren ballen, nieuwe schoenen als ze eruit groeien, de contributie.
Alhadj staat barrevoets naast me. Hij draagt dan wel een sporthemdje, maar het is vaal en gescheurd en heeft al heel wat marktplaatsen versleten.
Alsof hij ziet wat allemaal door mijn hoofd speelt, prevelt hij bescheiden zijn vraag: 'Kun jij voor mij een bal kopen?'
'Maar Alhadj, ik weet niet of ik dat kan.'
Natuurlijk kan ik dat en wil ik dat ook, maar ik wil niet dat hij zich vergeefs verheugt.
Er spartelt nog wat bij mij in de achterhoede: je kunt hier wel blijven uitdelen en nooit geef je genoeg. Die litanie in mijn oren: savon, crayon, bonbon, cadeau, balpen, zeep, kleren, snoep. Soms weten kleine kinderen nauwelijks wat ze zeggen. Zoals dat jongetje dat doodgemoedereerd vroeg om 'hundrred dollar'.
Ik kijk Alhadj aan. Hij kijkt kalm terug en mokt niet omdat ik niet meteen ja zeg.
Natuurlijk, bleekscheet, kun jij dat betalen. Zou ik zoiets denken als ik, bij wijze van spreken, in zijn schoenen zou staan?
'Luister, Alhadj, dat kan ik niet beloven, maar ik denk erover na. Ik ben toch nog even hier, wij wachten op de veerboot,' wijs ik naar onze jeeps in de verte.
Hij knikt dat hij het begrijpt en loopt met me mee als ik in de richting van enkele kraampjes en hutten wandel. 'Trouwens,' ik draai me naar hem om, 'ik vraag me af of hier een bal te koop is.'
Jawel, dat weet hij zeker, knikt hij.
Ik kom langs een hut waar een jonge vrouw me vriendelijk groet. Gaat het goed met haar, met de familie ook?
Ze wijst naar de hut achter haar: daar is pas een kindje geboren.
Is alles goed gegaan?
Ja, en ik mag best binnenkomen. Met een breed gebaar nodigt ze me uit.
Kan ik dat zomaar doen, 's morgens voor acht uur al bij wildvreemde mensen op het dak vallen voor beschuit met muisjes?
Enigszins gegeneerd loop ik langs het muurtje de kleine binnenplaats op. Er is heel wat bezoek. Op een paar vierkante meter zitten zeker twintig vrouwen en mannen op de grond, waarschijnlijk familie en buren die op kraambezoek zijn.
'Goededag samen,' zeg ik beleefd en ik loop achter de vrouw aan naar de ingang van de hut. Ik moet me bukken om binnen te kunnen en eerst zie ik niets.
Langzaam onderscheid ik een stuk of zes vrouwen en een paar kinderen.
De kraamvrouw ligt achterin de hut op de grond. Ik zwaai naar haar en wens haar veel geluk met haar kindje. Het is een meisje, twee dagen oud, en alles is goed.
Dan wordt mij het kindje getoond, in bontgekleurde doeken gewikkeld. Die bolle wangetjes, een tevreden mondje, lange natte donkere haren, het ziet er gaaf uit. Wat een rijkdom.
Het doet een oogje open en kijkt me half aan.
Als dat kind later praat over haar vroegste herinnering gelooft niemand haar: 'Ik zag een grote witte vrouw.'
Een van de vrouwen op de grond vraagt, heel discreet: 'Cadeau?'
Vanzelfsprekend geef ik de moeder een cadeau, je komt niet met lege handen op een geboortefeest. Het valt in de smaak en iedereen kijkt blij en tevreden. Zo ga ik ook weg, nadat ik de moeder nog eens veel geluk heb gewenst en de rest van de familie op het erf ook.
Ik voel me rijk, met het vertrouwen van deze mensen en dat ze me laten delen in hun geluk. Even schiet door mijn hoofd dat die familie nu nog niet denkt aan de kopzorgen hoe ze dit kleintje in hemelsnaam groot moeten brengen.
Buiten staat Alhadj geduldig te wachten. Lees ik stille verwachting in zijn ogen?
'Alhadj, volgens mij wordt het moeilijk. Ik heb hier zojuist al eens rondgekeken, maar nergens heb ik een bal gezien.'
Dat is ook echt zo, maar de jongen weet beter. 'Jawel,' zegt hij en ik loop met zijn wijzende vinger mee. We staan stil voor een mini-winkel. Ik volg zijn vinger en inderdaad, daar aan de deurpost hangt welgeteld één bal in een netje aan een grote spijker. Een witte plastic bal met rode vlakken.
Op de drempel zeg ik half lachend tegen de verkoper: 'Bonjour, komt hij hier elke dag met een toerist een bal kopen?' Ik wijs naar Alhadj achter me.
Het is een moment door mijn hoofd geflitst: elke dag speelt Alhadj of een andere jongen een een-tweetje met de verkoper.
De man lacht half, misschien verstaat hij nauwelijks Frans. Hij snapt wel dat ik de prijs wil weten: 2000 cfa, zegt hij. Zo'n 3 ½ euro en dat is hier veel te veel voor zo'n plastic bal.
Dat zeg ik hem ook. Ik durf niet naast me te kijken naar het snoetje van Alhadj. Ziet hij zijn hoop vervliegen?
Afpingelen heb ik hier de afgelopen weken wel geleerd en dus weet ik dat mijn eerste bod van 1000 cfa te hoog is.
Toch ketst het af bij de verkoper: 'Veel te weinig.'
Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om Alhadj nog langer in spanning te laten en we maken de koop af op 1500 cfa. Ik betaal en de verkoper haakt het netje met de bal los van de spijker. Alhadj staat gespannen te kijken. De man overhandigt mij de bal en ik speel hem meteen door aan de jongen.
'Merci, merci,' zegt hij en zijn ogen glimmen. Die van mij ook, dat voel ik. Blij dat ik in elk geval een knulletje heel eventjes gelukkig kan maken, maar ook in het treurige besef dat ik zoveel anderen niet kan helpen.
Als we teruglopen naar de haven, schopt hij af en toe voorzichtig tegen zijn bal in het netje.
'Hij is voor jou, maar je moet hem ook delen met je team.'
Ten overvloede, dit is een knul die kan delen.
Als ons een eindje verder een paar jongens tegemoetkomen, laat hij hun trots de bal zien. Dan geeft hij hem in bewaring aan een broertje en Alhadj loopt met mij terug naar de haven waar hij een poosje later de helft van zijn team verzamelt voor een foto.
Wij kunnen nog altijd niet vertrekken met de veerboot en we slenteren met onze groep wat rond op de kade of gaan zitten. De vele kinderen en wij houden elkaar bezig. Bootjes vouwen van papier, samen liedjes zingen.
Alhadj staat erbij, bekijkt het en soms vinden onze ogen elkaar. Een paar keer zegt hij zacht 'Bedankt', tot ik hem duidelijk maak dat hij dat niet voortdurend hoeft te zeggen.

Dan komt er toch beweging in onze wachtende jeeps. Ze rijden de veerpont op, wij volgen te voet. Alhadj loopt met me mee. Ik geef hem een hand, wens hem alle goeds en draai me snel om.
Hij zou er niets van snappen als hij me zag huilen. Ik heb immers alles wat ik wil.
Hij loopt weg en vanaf de wegvarende boot blijf ik lang kijken of ik hem nog ergens tussen de hutten zie, Alhadj met zijn bal. Ik probeer mijn tranen weg te slikken.
Met tranen help ik deze kinderen al helemaal niet. Ze hebben meer aan mijn lach, een liedje, een verhaal, een bal.
Alleen maar een bal.

naar boven terug

Alle teksten copyright Annie van Gansewinkel