|
Terug naar Terschelling
Pieter is niet hier in de klas,
hij staart tweehonderd kilometer ver.
Plons!
Nu zwemmen zijn ogen verder,
ze halen de veerboot in.
Daar staat ze, vlakbij de vuurtoren,
ze staart over de waddenzee,
Anne.
Diep duikt ze weg in haar kraag,
het is herfst nu.
Ze kan daar wel staan
tot ze een standbeeld wordt,
want Pieter komt niet.
"Ach, joh, voor je het weet,
is het zomer en
dan gaan we naar Terschelling",
troost mam hem.
Ze is niet wijs.
Het is nog zeker acht maanden,
bijna 250 dagen, maal 24 uur,
maal 60 minuten,
maal 60 seconden.
"Pieter, wat ben je weer ver weg,
maak jij deze som maar eens."
Maar zijn hoofd werkt niet meer,
de simpelste som gaat fout.
Hij kent nog maar twee uitkomsten:
1+1=2
Zo was de vakantie.
En zo is het nu:
2-1=0
Zonder Anne is hij niets
naar boven terug
|
|